Oeps...

Met haviksogen bekeken…

De havik is een krachtige en imposante roofvogel die je niet op een presenteerblaadje te zien krijgt; een goede waarneming blijft een toevalstreffer. Zelfs in die streken waar de soort relatief talrijk voorkomt, moet je de verwachtingen op een ontmoeting niet al te hoog stellen; het blijft een kwestie van geduld en wat geluk.

Haviken kunnen zowel standvogel, zwerfvogel als trekvogel zijn. Wanneer ze zich eenmaal in een broedgebied hebben gevestigd, zijn onze Nederlandse haviken echte standvogels.
Anders is het met de jonge haviken. wanneer deze zelfstandig worden, zwermen ze naar alle windrichtingen uit.
Het zijn uitgesproken dagdieren, die na het invallen van de duisternis tot de ochtendschemering niet actief zijn.

Haviken accepteren weliswaar oude nesten, maar getroosten zich veel moeite om deze te verbouwen en ze aan hun eisen aan te passen. Er wordt vaak gebroed op oude nesten van buizerd en wespendief, maar haviken bouwen ook zelf horsten.
De horst bevindt zich vaak net onder of juist in de onderste regionen van de boomkroon. Hij wordt zo van waarneming vanuit de lucht onttrokken en licht beschut voor felle zonnestralen. In onze streken bedraagt de hoogte meestal 15 tot 20 meter.
Of er aan een nest gebouwd is, kan gemakkelijk worden vastgesteld aan de hand van afgebroken takken in de nestrand. Als laatste wordt de horstrand gestoffeerd met verse groene twijgen.
In West Europa is het eerste haviksei zo rond de 25e van de maand maart te verwachten. De eieren worden met tussenpozen van 48 uur gelegd. De gemiddelde broedduur ligt rond de 37 dagen. Een havikenpaar brengt als regel twee tot vier jongen groot.
Haviken hebben een strikte taakverdeling: het mannetje jaagt en brengt voedsel naar het nest, terwijl het vrouwtje broedt en de jongen verzorgt. De mannetjes verschijnen in de nestjongentijd soms al voor zonsopgang met prooi bij het nest.

Het havikswijfje houdt de donsjongen warm door ze te dekken en onderzoek heeft aangetoond dat het tot 3 weken duurt voordat de jongen zelf hun lichaamstemperatuur kunnen reguleren.
Conclusie ligt voor de hand: een nest met kleine donsjongen moeten we niet bezoeken!

Rond het begin van de vijfde week beginnen de jongen met vleugels te oefenen, terwijl na een week of zes de meest bijdehante in de takken van de horstboom klimt en takkeling genoemd wordt.

Bovenstaande opnames zijn van een horst bij mij in de buurt. De foto’s zijn van gepaste afstand gemaakt en in chronologische volgorde geplaatst.
De tijd tussen de eerste en de laatste foto bedraagt ongeveer twee weken.

Leave a comment

Captcha *

Scroll Up